Blog: Zijn de vragen van Pascal de onze nog?

Theologie zet in bij vragen, niet meteen bij de antwoorden. Dat dient eens te meer gezegd te worden. Wanneer de ooit gegeven antwoorden alleen maar bevestigd en herhaald worden zonder (en wel opnieuw) in relatie gebracht te worden met de oorspronkelijke vragen verliest de theologie en de geloofsverkondiging, zoals we dat met een deftig woord noemen, haar belang.

Uit de vrouwenvereniging werd mij de vraag gesteld om iets over Pascal te vertellen. Dat heb ik graag gedaan, op 25 februari jongstleden. Het was voor mij een welkome uitdaging. Ik wist wel het een en ander over Pascal maar ging me nu toch meer verdiepen. Als leidraad heb ik het boekje ‘Pascal als religieus denker’, onder redactie van Rudi te Velde, gebruikt. Vijf hedendaagse auteurs schreven over hem en belichtten verschillende zijden van deze grensganger op het gebied van filosofie en theologie.

Luther had de kwellende vraag: Hoe krijg ik een genadige God?! En hij maakte een begin met de Reformatie, juist met deze vraag. Blaise Pascal, 1623-1662, worstelde op soortgelijke wijze vooral met de vraag over de dood en het leven hierna.

Hoe kan het zijn dat weldenkende mensen zich niet bezorgd maken over de dood en de kans om voor altijd verloren te gaan? ‘Terwijl ze zich wel bezorgd tonen over het wel of niet krijgen van een openbaar ambt!?! Dat staat toch in geen enkele verhouding tot elkaar?! Het tijdelijke en voorbijgaande geplaatst tegenover je eeuwige lot…’

LutherHun beider vraagstelling vertoont een zekere verwantschap. Al is er een grote afstand in de tijd…  Luther ging met zijn vraagstelling terug naar de erfzondeleer van Augustinus. Door de zondeval is de mens schuldig tegenover God en niet in staat om zich met God te verzoenen. Onze relatie met de Eeuwige is voor altijd, en nog wel onherstelbaar, verstoord! Daarom dreigt God voor altijd toornig te blijven over de zondige mens. Dat verzoenen moet nu door God zelf gebeuren. Daartoe stuurt Hij zijn zoon opdat die de schuld van de mens zal delgen en uitwissen. Het inzicht van deze thematische verwantschap ontbreekt overigens bij Pascal. Hij beschouwt zichzelf als katholiek en dus totaal anders dan de calvinisten of de joden of de filosofen… Luther noemt hij helemaal niet…

Bij Pascal speelde deze erfzondeleer een vergelijkbare rol, vooral dankzij de Leuvense theoloog, Cornelis Jansen, ook wel Jansenius genoemd, later bisschop van Ieper. Deze leerde, uitgaande van 1 Johannes 2:16, dat het wetenschappelijk streven naar kennis van de geheimen van de natuur een vorm van ‘ijdele begeerte’ was, een ‘weetgierigheid’ die ons van God en de eeuwigheid afhoudt. IJdel en nietig, vertelt zijn zwager die een laatste wetenschappelijk werk van hem over het vacuüm na zijn dood publiceerde, vond Pascal in zijn laatste jaren (na 1654!) het wetenschappelijk bedrijf.

JansiusJansen was de inspirator van de gemeenschap van Port-Royal, onder leiding van de abt St. Cyran. De zuster van Blaise Pascal is toegetreden tot deze orde. Pascal zelf niet. De beweging die Jansen volgde noemen we het jansenisme. In het Frankrijk van de 17e eeuw werd een soortgelijk dispuut gevoerd tussen de jansenisten en de jezuïeten. Is de mens volkomen aangewezen op Gods genade of kan een gelovige ook zelf bijdragen tot zijn heil? Het is als het ware een herhaling van de onenigheid tussen Remonstranten en Contraremonstranten op de synode van Dordrecht, 1618-1619. Die eindigde in de opsluiting van Remonstrantse voormannen in slot Loevestein.

Pascal had bepaald ascetische trekken. Hij vond dat men zich niet druk moest maken om de menselijke liefde, ook niet om de liefde voor zijn persoon. In deze geest schreef hij tenminste aan zijn zuster. Dat alles gaat voorbij, ik beteken niets! Maak je liever druk om de eeuwigheid!

‘Mensen bij wie ik een verlangen daartoe (nl, om van mij te houden) opwekte zou ik teleurstellen, want ik ben niemands doel en heb niets om hen tevreden te stellen. Sta ik niet op het punt te sterven? Daarmee zal ook het object van hun gehechtheid sterven. Dus, net zoals ik schuldig zou zijn wanneer ik iemand iets wijsmaakte dat niet waar is, (…) op dezelfde manier ben ik schuldig als ik maak dat men van mij houdt. (…)ze moeten zich niet aan mij hechten, want ze moeten hun leven en zorgen eraan besteden bij God in de smaak te vallen en hem te zoeken.’ (fr.396)

Terwijl hij zich toch bewoog in wetenschappelijk toonaangevende kringen. Reeds als zestienjarige verkeerde hij in het academische gezelschap rond Mersenne, een man die in contact stond met de groten van zijn tijd: Descartes (Ik denk, dus ik besta), Hobbes (De mens is zijn medemens tot een wolf, we gaan als beesten met elkaar om…), Torricelli (De buis van.., die de luchtdruk aangeeft) en Christiaan Huygens ( Deze bereidde sommige theorieën over de beweging van hemellichamen voor, die later beter geformuleerd werden door Newton. Verder schreef hij onder meer over het nut van experimenteren boven vruchteloos redeneren…) en vele anderen. Mersenne combineerde op een boeiende manier wetenschap en geloof. Pascal was van dit alles op de hoogte. (pag.70) Want hij had op zijn beurt de aandacht getrokken met zijn geschriften over onder andere de infinitesimaalrekening. Ook belangrijk was zijn berekening van een doorsnede van een kegel en zijn beschrijving van de lijn die een punt op een voortbewegend wiel in de ruimte bestrijkt.

Pascal ziet de mens ‘als verdwaald in een uithoek van het universum, die geheel aan zichzelf is over gelaten. Het heelal maakt zich niet druk over ons…’ We bevinden ons dus in een ons onverschillig universum. Wanneer hij om zich heen kijkt verbaast hij zich dat mensen niet vertwijfeld raken van hun toestand: ze zijn onwetend over wie hen hier heeft neergezet, over wat ze hier komen doen en over wat er met hen gebeurt wanneer ze sterven. En ze zien een paar aangename dingen, geven zich daaraan over en raken daaraan gehecht… Rara, hoe kan dat nu!?!

penseesDe gedachten van Pascal zijn een verzameling van losse notities. Een collectie flarden, zegt Willem Jan Otten (pag.23, a.w.)  Schijnbaar is er geen samenhang of structuur in te ontdekken. Maar bij goed toezien beluister je een betoog dat een redelijke verdediging wil zijn van de christelijke godsdienst. Hij geeft voortdurend argumenten waarom de christelijke godsdienst de ware godsdienst is. Hij doet dat niet door een natuurlijke theologie te ontwerpen, want een op de rede gebaseerde overtuiging acht hij verwerpelijk.
Een belangrijke invalshoek is dat hij bij de denkbeeldige lezer (want de Pensees zijn niet gepubliceerd tijdens zijn leven) een openheid wil wekken voor de religieuze problematiek. Hoe bestaat het dat mensen maar raak leven zonder belang te stellen in de waarheid omtrent hun leven. En dus, zoals al gezegd: Hoe kan het zijn dat weldenkende mensen zich niet bezorgd maken over de dood en de kans om voor altijd verloren te gaan?

De denkbeeldige lezer is niet fanatiek met godsdienst bezig. Het is eerder iemand die niet goed weet wat te denken van de wereld, hij staat er gereserveerd tot afwijzend tegenover om zich godsdienstig en wel in christelijke zin te verbinden. Misschien heeft hij wel juist de mensen uit zijn wetenschappelijke kringen voor ogen. Misschien zelfs, nog een andere mogelijkheid, is hij vooral bezig zichzelf te overtuigen of zijn eigen denken ontvankelijk te maken voor het christelijk geloof. (Deze laatste veronderstelling staat in een moderne inleiding tot de Gedachten van Pascal.) De rationalistische filosofie van zijn dagen had een ongeschokt vertrouwen in de menselijke rede. Wanneer alles kenbaar is binnen een sluitend denksysteem, kan de existentiële nood van de mens gemakkelijk miskend worden. Misschien kun je wel bedenken dat er wellicht een god moet zijn. Al is het weer de vraag of de god die het verstand kan vinden dezelfde is die je leert kennen met het hart… Maar het is heel moeilijk om tegelijk met het verstand de gedachte te vinden en te ondersteunen met argumenten dat een mens zonder Christus voor altijd verloren is…, aldus Pascal.
Je kunt hem een religieus denker noemen. Hij is geen theoloog en geen filosoof. Eerder staat hij aan de rand van zowel theologie als filosofie. Het rationalisme van Descartes is hem vreemd. En een religie met als basishouding: de vreugde om het bestaan en de dankbaarheid voor het leven waarin je kunt deelnemen staat eveneens ver van hem af. Pascals godsdienstig besef heeft zijn  vertrekpunt in de ervaring van de absolute verlorenheid van de mens.

‘Het eeuwige zwijgen van de oneindige ruimte dat ons schrik aanjaagt.’ Fascinerend is het misschien, om zo te denken, maar het is vooral ook zwaar en moeilijk leefbaar. Pascal heeft immers de neiging natuurlijke en vanzelfsprekende banden met familie, vriendschap en eer en aanzien als niet van belang aan de kant te zetten. Zie bovenstaande opmerking over hechting tussen mensen, gemaakt in een brief aan zijn zus.

Wel is bekend van hem dat hij zich daadwerkelijk inzette voor mensen die het moeilijk hadden, hij steunde armen en behoeftigen. In de laatste jaren van zijn leven verwijderde hij zich meer en meer van de kring waarin hij zijn triomfen gevierd had. Dat was weer geheel in lijn met wat zijn zwager over hem schreef bij de postume uitgave van een laatste voltooid werk.

De keuze die Pascal maakt voor zijn vertrekpunt (namelijk in de verlorenheid van de mens zonder Christus) lijkt nogal willekeurig. Waarom zo zwaar en zo diep?!
Kunnen mensen niet ook kiezen voor het geloof vanuit de dankbaarheid voor het leven dat gevierd mag worden, met alles wat erbij hoort, ook met de moeilijke en lastige dingen die we meemaken?!

Dat laatste is wat de leden van de vrouwenvereniging meer aansprak. In zoverre staan we dus ver af van Pascal!

Over deze zaken hebben we geboeid gesproken en van gedachten gewisseld. We hadden een mooie en zinvolle middag!

Zandrie Albada

Share

Tags: ,

Related posts

Comments are currently closed.

Top