Het kan eigenlijk niet… En toch

Van cocon naar vlinder

Pasen is het feest van het nieuwe begin, licht na het duister, een nieuwe dageraad. Maar wat als een nieuw begin helemaal geen feestje is? 

Introductie

Vraag aan willekeurige mensen waar ze aan moeten denken bij het woord Pasen en de meeste mensen zullen zeggen: eieren! En een extra vrije dag – dat óók, denk ik.

Niet zo gek, die associatie met eieren.

In de Middeleeuwen was het tijdens de vastenperiode verboden om eieren te eten. Dat mocht pas met Pasen weer. En dus stonden eieren op Paasmorgen steevast op het menu.

Maar er is meer. Eieren staan sinds mensenheugenis voor vruchtbaarheid en levenskracht. Ze brengen letterlijk nieuw leven voort. Elke lente opnieuw. Maar het komt ook door hun vorm. Eieren zijn ovaal en hebben geen begin en geen eind. Ze staan symbool voor de cirkel van het leven dat maar doorgaat en doorgaat.

Met eieren op Paasmorgen laten we zien dat we steeds opnieuw mogen beginnen. Als er dingen zijn misgelopen, dan komen er weer nieuwe kansen.

Dat zit trouwens ook in de naam Pasen, althans in het Engels en Duits. Easter en Ostern zijn een verwijzing naar de Germaanse lentegodin Eástre, ook wel Ostara genoemd. Zij is niet alleen de godin van de vruchtbaarheid, maar ook van de dageraad. De dageraad van het nieuwe begin, de komst van een nieuwe dag, een einde aan de duisternis.

Dus ik was niet echt verbaasd toen ik in Donald Duck een verhaal tegenkwam over Koningin Ostara die de Paashaas paaseieren laat brengen in Duckstad. Allemaal knipogen naar dat oerverhaal van dat nieuwe begin.

Maar wat als het eigenlijk niet kan? Als een nieuw begin verder weg lijkt dan ooit? Daar wil ik verder met u over nadenken.

En toch…

Opnieuw mogen beginnen heeft absoluut iets moois. Wat is het fijn dat er nieuwe kansen komen als dingen zijn misgelopen, als we tobben over ons eigen leven, als we ons ten diepste moederziel alleen voelen, als een relatie op dood spoor is beland, als we vastzitten in een verkeerd gekozen baan of anderszins het idee hebben dat we zijn vastgelopen. Wat is het dan bevrijdend om te horen dat we daaruit kunnen opstaan. Dat als we fouten maken, we een tweede kans krijgen, en een derde, een vierde. De steen rolt van het graf en we staan op. Na de nacht volgt het ochtendgloren. Na de winter komt de lente. We mogen weer verder. Dat is Pasen.

Maar ik aarzel ook wat.

Dat kwam door Eva Meijers boek ‘De grenzen van mijn taal’. Zij werpt daarin een paar indringende vragen op. Wat nu als opnieuw beginnen helemaal geen feestje is? Wat als juist een nieuwe start ontzettend beangstigend is? Wat als we doodmoe worden van wéér een nieuwe dag? Wat als we zien dat na de lente en de zomer opnieuw de herfst aanbreekt en onvermijdelijk ook de winter weer de kop op steekt? Kortom als we weer beginnen móeten! Als we weer door móeten gaan! Als je de klemtoon nadrukkelijk op moeten legt, hoor je het dilemma van Eva Meijer.

Het kan ook verlammend werken dat we steeds een nieuwe start moeten maken. Meijer schrijft: “Het is vermoeiend om de ruimte waarin je adem kunt halen steeds te moeten bevechten, maar er zit weinig anders op.”

Wat kan het ontmoedigend zijn, of zelfs beangstigend, om jezelf elke nieuwe dag weer te moeten overwinnen. Als je moet knokken voor wéér een opstanding – ook letterlijk: om je bed uit te komen.

Er gebeurt niets nieuws. Hetzelfde gebeurt steeds opnieuw. De nieuwe dag brengt geen keer, verandert niets werkelijk. De nieuwe lente brengt geen nieuw geluid. De plaat blijft hangen. Als dat gebeurt, worden we steeds bevestigd in wat we toch al dachten. En dan verandert er niets.

We staan stil.

En we hoeven zeker niet depressief te zijn om zoiets mee te maken. We kennen allemaal perioden waarin de dingen niet lopen zoals we willen. Een relatie raakt in zwaar weer of loopt stuk, we verliezen ons werk, een ziekte of negatieve ervaring haalt ons uit ons evenwicht, we verliezen een dierbare en dan gaat het licht uit. We vallen. En het kan zo moeilijk zijn om dan weer overeind te komen.

En toch…

Cocon

Op Facebook – jazeker, wéér op Facebook – kwam een plaatje voorbij met daarop een tekst die me intrigeerde. “Misschien is deze kooi altijd al een cocon geweest.”

“Misschien is deze kooi altijd al een cocon geweest.” Wat een prachtig beeld! Een rups die zich verpopt en dan maar wat hangt aan een tak. Er gebeurt niets. Stilstand. Tenminste, zo op het oog. Maar ondertussen gebeurt er wel degelijk wat: uit die rups groeit een vlinder.

“Misschien is deze kooi altijd al een cocon geweest.” Ik moet zeggen: ik heb wel geaarzeld om het plaatje te gebruiken. Want dat kun je toch niet zeggen tegen iemand die lijdt aan het leven? Die het gevoel heeft gekooid te zijn en geen kant meer op te kunnen? Zo van: het is misschien alleen maar een cocon?

Nee, dat kan ook niet.

Maar ik lees de tekst als een wijsheid achteraf, als iets wat je tegen jezelf kunt zeggen als je terugkijkt. Zo van: het was écht een rottijd – en ik wil echt nog steeds uit de grond van mijn hart dat ik hem nooit had hoeven meemaken – maar ik heb nu ervaren dat er daarna weer een andere tijd kwam. Ik heb ervaren dat die periode van stilstand ook dingen in gang heeft gezet. De kooi bleek een cocon. Een cocon die me heeft gevormd tot wie ik nu ben en die ik nu achter me heb kunnen laten.

Dát te kunnen ontdekken – achteraf! – is een heel proces. Dat is om het Bijbels te zeggen toch een beetje sterven. Om daarna te merken dat de steen van het graf kan rollen. Dat er weer licht naar binnen kan komen. Dat je de windsels die je gevangen hielden, kunt afrollen en aan de kant kunt leggen.

Zo’n omslag is dus niet persé een blikseminslag, een omwenteling van het ene op het andere moment. Het is vaker de optelsom van kleine stapjes, kleine prikjes, zaadjes die worden geplant en dan langzaam gaan ontkiemen. Een rups is ook niet meteen een vlinder. Maar soms licht even de vlinder op die je mag zijn.

Dreamschool

Kent u de serie Dreamschool op NTR. Het programma draait om 15 jongeren die zijn vastgelopen. Ze hebben ongelofelijk nare dingen meegemaakt, zijn van school getrapt. Die jongeren krijgen in de serie (levens)lessen van BN-ers. En soms gebeuren er dan kleine wondertjes. Ik zou daar allerlei voorbeeldjes van kunnen laten zien. Ik kies er één, als Trijntje Oosterhuis hen laat zingen.

Hier is niet iemand meteen op het rechte pad gekomen. Niet van de weeromstuit veranderd. Maar er is even contact gemaakt met iets wat misschien nog voor de jongeren zelf in de windsels van het graf verborgen ligt. Contact gemaakt met de mens die ze ten diepste zijn.

En wie weet – later – zullen ze kunnen zeggen: het was geen kooi waarin ik zat, maar een cocon. Dat is de hoop. De hoop van Pasen.

Nog iets anders over dat filmpje. Dat zingen hebben ze misschien ooit eens onder de douche gedaan ofzo. Maar in een groep en met camera’s erbij? No way. Eigenlijk kan het niet. En toch. En toch doen ze het (althans, de meesten). Waarom? Omdat Trijntje hen zover weet te krijgen. En omdat de groep elkaar aanmoedigt en niet bij voorbaat wegzet, zo van: dat kan eigenlijk niet.

Ze krijgen hulp. En ze laten zich helpen.

Engel

Dat is ook wat me opvalt in het Paasverhaal dat we hebben gelezen. Jezus staat op. Maar Hij is niet degene die de steen wegrolt. Je zou op grond van de Bijbel zeggen: dat moet voor Hem toch een koud kunstje zijn. Even die steen opzij schuiven. Hopsakee. Maar er komt een engel die dat voor Hem doet. Een engel die zegt: ‘Vreest niet.’

Pasen is het feest van het nieuwe begin. Het begin dat soms zo ver weg lijkt dat het eigenlijk niet kan. En toch. Een nieuw begin. Maar niet zonder anderen. Niet zonder hulp. Niet zonder momenten die ons even optillen. Niet zonder engel die de steen opzij schuift.

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ruth Fainlight dicht: “Soms is de steen weggerold, maar ik kan hem niet bewegen wanneer ik dat wil. Een engel moet dat doen. Zal ik ooit het gezicht van de engel zien, of zal er altijd alleen die vloeiende gloed zijn die iedere haar en verenschacht apart uitlicht, de plotselinge wind en geur, zonlicht, muziek, de pijn van mijn gekneusde schouders.”

Pasen is het feest van wat eigenlijk niet kan. En toch. Toch rolt de steen soms weg. Door een engel in de gedaante van plotselinge wind en geur, zonlicht, muziek. Iets ongrijpbaars, wat op ons pad komt. Iets wat alles in een ander perspectief zet. Iets wat wij misschien wel God mogen noemen.

Daarmee wil Pasen niets af doen aan lijden. Pasen is geen gemakkelijke doorsteek naar het licht. Geen bliksemflits. Onze schouders doen nog steeds pijn, ook al is de steen weg. Het verleden is niet ineens voorbij. En toch.

“En juist”, dicht Karel Eykman naar aanleiding van Psalm 118, “toen het er zo uitzichtloos voor stond, deed hij ons open en opende daarmee de deur naar de uittocht, naar onze oorsprong; de poorten naar vrijheid van willekeur.” Moge het zo zijn, Amen

Aries van Meeteren

Related posts

Comments are currently closed.

Top