Mijn eerste kennismaking met de Griekse filosoof Heraclitus dateert van járen geleden. Ik las over hem in ‘De wereld van Sofie’ van de Noorse schrijver Jostein Gaarder. In dat jeugdboek gaat de tiener Sofie Amundsen op zoek naar zichzelf, onder meer aan de hand van brieven van een mysterieuze filosoof.
De leraar gaat met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de filosofie en begint bij de Griekse natuurfilosofen. Die denken in de zesde en vijfde eeuw voor onze jaartelling na over hoe alles in de wereld in elkaar steekt en welke processen daarin allemaal werkzaam zijn. En een van die natuurfilosofen is Heraclitus.
Gaarder vertelt over hem dat hij in de Griekse kolonie Efeze leefde, omstreeks de zesde eeuw voor het begin van de jaartelling, en dat hij het meest bekend is van de uitspraak ‘Alles stroomt’. Dat betekent volgens Gaarder zoveel als dat alles in beweging is en niets eeuwig duurt. En de motor achter al die veranderingen zoekt Heraclitus vervolgens in tegenstellingen die almaar stuivertje wisselen. Ik citeer Jostein Gaarder:
“Als er niet een voortdurend spel tussen tegenstellingen zou plaatsvinden, zou de wereld ophouden te bestaan. ‘God is dag en nacht, winter en zomer, oorlog en vrede, honger en verzadiging,’ zei hij [=Heraclitus]. Hij gebruikt hier het woord ‘God’, maar het is duidelijk dat hij iets heel anders bedoelt dan de goden uit de mythen. Voor Heraclitus is God – of het goddelijke – iets wat de hele wereld omvat. God toont zich juist in de voortdurend veranderende en met tegenstellingen gevulde natuur.”
(Uit: Jostein Gaarder, De wereld van Sofie)
Het moment
Toen ik dat las ontstond een blijvende fascinatie voor deze vroege denker. Zodra ik hoorde dat er een nieuwe Nederlandse vertaling van de ideeën van Heraclitus was verschenen, heb ik die meteen gekocht en gebruikt in een viering over Jezus’ gelijkenis van de zaaier. Pas later ontdekte ik dat filosoof en classicus Ben Schomakers tegelijk met zijn vertaling ook een essay had uitgegeven: ‘Het moment. Over Heraclitus en aanwezigheid.’ Ik las het boek in één ruk uit.
In zijn essay benadrukt Schomakers dat de Griekse filosoof geen studeerkamergeleerde was die boeken schreef, maar op markten en pleinen zijn publiek opzocht en met hen in gesprek ging. Zijn woorden zijn door anderen verzameld, samengevat en overgeleverd. Dat is wel een moeilijkheid, want welke uitspraken gaan op de filosoof zelf terug en welke niet?
Schomakers gaat met die kwestie voorzichtig en transparant om. En mede daardoor weet hij een overtuigende Heraclitus neer te zetten. Hij laat zien hoe de filosoof naar houvast zocht in de turbulente tijden van de zesde eeuw v.C. Dat deed hij niet door iedereen te vertellen hoe het zit. Volgens Schomakers sprak hij in soms lastig te doorgronden beelden in de hoop dat zijn publiek zelf zou gaan nadenken. Een beetje zoals orakelpriesters destijds te werk gingen. Hun tamelijk raadselachtige teksten wilden mensen ook aan het puzzelen zetten, zodat ze zelf hun conclusie konden trekken.
Roep
Aan turbulente tijden ook vandaag geen gebrek. En in de 150 pagina’s die het essay telt laat Schomakers mooi zien waar het volgens Heraclitus dan op aan komt. Hij wil dat mensen gaan zien, of beter nog horen, wat die almaar stromende werkelijkheid hen wil zeggen. Want er gaat een roep vanuit. Een logos, zegt de Griek Heraclitus, en in het verre oosten zouden ze het omstreeks dezelfde tijd tao noemen. Alleen gaat aan veel mensen die roep voorbij. Zij slapen. Heraclitus hoopt dat zijn gehoor ontwaakt en open gaat staan voor het woord dat klinkt, de tekens die worden gegeven in die almaar opeenvolgende gebeurtenissen. Iets wat ook voor ons van ‘vitaal belang’ is, zo meent Schomakers.
Het gevaar van het negeren van de werkelijkheid is dat we volkomen verkeerde beslissingen nemen. Of afgaan op wensdenken, illusies of leugens. Daarmee doen we niet alleen onszelf tekort, maar we ondermijnen er uiteindelijk ook de werkelijkheid mee. Het nieuws laat ons er dagelijks voorbeelden van zien. Als we niet wakker worden, gebeuren er ongelukken, zo leest Schomakers in Heraclitus: “Gerechtigheid neemt leugensmeden te grazen en iedereen die leugens in stand houdt.”
God?
En dus hamert Heraclitus op het luisteren naar het vragende woord dat wordt uit gesproken door de werkelijkheid: “Luister niet naar mij maar naar het woord en stem ermee in, dat wijsheid is één alles weten (d.w.z. een weten van alles als een eenheid).” Wie spreekt dat woord? God? Heraclitus noemt soms Zeus als bron, maar ook ‘het wijze’. Hij is er vaag over, zo zag Jostein Gaarder al. Schomakers houdt het erop dat het woord opklinkt uit de werkelijkheid en dat iedereen die wakker is er diep van binnen in kan horen wat op hem of haar van toepassing is, een beetje zoals bij een orakel.
Hoe doe je dat? Door oefening in het eerlijk onderscheiden van de stemmen in onszelf om zo, tussen onze angst, al te overhaast verlangen, (te) grote moed en ongeduld, het woord te leren horen dat als de wind van de werkelijkheid aan ons trekt. Om er dan op te durven reageren op een manier die van ons alleen is. Een oefening waar we ons leven lang zoet mee kunnen zijn.
Verlangen
Want het is geen doen om voortdurend wakker te zijn, erkent ook Heracltius. We staan niet steeds aan. Om te ontwaken moeten we eerst slapen. We kunnen tot grote hoogte klimmen, maar dan moeten we eerst in laagland verkeren. Aanwezigheid veronderstelt afwezigheid. Het is een beetje als dat bekende lied van Prediker 3: Voor alles wat er gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel.”
Maar het begint met het verlangen naar een moment van aanwezigheid, als een zien, soms even. Een ijken van ons doen, ons bestaan en ons gevoel van betekenis aan iets buiten ons, iets dat op ons toekomt vanuit de werkelijkheid. En dat verlangen is tijdloos.
Ben Schomakers. Het moment. Over Heraclitus en aanwezigheid (Boom 2024) 223 p. (152 p. tekst en 71 p. verwijzingen)
Aries van Meeteren