Pasen is in de kern de belofte van nieuw leven, van een einde aan de nacht. Tegelijk doen we dat vanuit de ervaring van het donker, de dood en vertwijfeling, zegt Aries van Meeteren. Zonder donker geen licht. En dan kan de vraag rijzen: waar blijft dat licht? Hieronder volgt de tekst van de Paasviering van de Kerk met de Beelden van 5 april 2026.

Paasfeest is het sluitstuk van wat wel wordt genoemd de Lijdensweek. Je hebt Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Stille Zaterdag en vandaag dus Pasen. Al sinds de vroege middeleeuwen lezen monniken verspreid over deze dagen alle vijf hoofdstukken van het Bijbelboek Klaagliederen. Dat doen ze in de zogeheten donkere Metten, de gebeden in de vroege ochtend, zo tussen 4 en 5 uur. Dat past mooi in die dagen voor Pasen. Klaagliederen staat vol gevoelens van verlies, ontzetting, schuldgevoel en boosheid bij het onrecht van die tijd.

Voorganger Erik Jan Tillema van De Kapel in Hilversum schreef onlangs een eigentijds Klaaglied. Hoofdstuk zes, zou je kunnen zeggen. En ik dacht: laat ik die dan op Paasmorgen lezen, als moment van inkeer.

Ach, in wat voor tijden leven we?
Waar ik naar verlang, wordt de kop in gedrukt,
Door kwade krachten die alles lijken te controleren.

De duisternis op aarde groeit en groeit.
Ik word overspoeld door ellende en verdriet.
De oorlogen lijken niet te stoppen,
Er komt geen einde aan het leed.
Waar houdt het op?

Ik schreeuw en roep om hulp,
Maar wie kan mij horen?
Wie kan mij helpen?
In een wereld die steeds verder afglijdt.

Mensen zijn argwanend naar elkaar,
Sluiten zich op in bubbels,
En voeden onderlinge haat.

Het enige wat lijkt te groeien,
Is de macht van geld.
Dat is weggelegd voor slechts enkelen.
Maar het geld maakt alles kapot,
Voor iedereen.
De aarde zucht.
Het klimaat verandert,
En ik … ik kan enkel nog huilen.

Maar in mijn tranen schittert het licht,
Het licht van naastenliefde,
Van aandacht voor elkaar.

Klein en kwetsbaar,
Maar aanwezig.

Droogt het mijn tranen,
Tilt het mij op.
Omdat de liefde nooit verdwijnt,
Maar pas écht zichtbaar wordt,
Als zij het meest nodig is.

(c) Erik Jan Tillema

(c) Pexels

Lieve mensen,

Het is misschien een beetje bijzonder om op Paasmorgen een Klaaglied te lezen. Een lamentatie. Zoiets hoort toch meer bij de Lijdensweek? Zo stel ik het me ook voor: dat monniken die teksten dan lezen, in alle vroegte, terwijl het nog donker is. En ze maken het dan nog extra donker, omdat ze na iedere Psalm, die ze dan ook nog zingen, een kaars doven. Die kaarsen staan op een driehoekige standaard, een kaarsegge. Het zijn er 15, maar ja, er worden dan ook veel Psalmen gezongen.

Een mooi beeld. Ik zie het om me heen ook steeds donkerder worden. En dat is gek, want in de natuur wordt alles juist steeds lichter. Maar het voelt alsof er telkens weer een kaarsje uitgaat. Alsof de chaos verder toeneemt. De voorzitter van de Europese Commissie zei het een maand geleden nog in Brussel tegen de verzamelde EU-ambassadeurs:

De oude rechtsorde is niet meer. Zo dan… Nu wankelt de internationale rechtsorde al heel lang. Eigenlijk is het een beetje een pleonasme, zoals een ronde cirkel en een nat water. Maar dat een Europese leider dat zo ronduit zegt, was nieuw voor me.

Misschien is Ursula von der Leyen al te somber. Ze is in ieder geval direct terug gefloten. Maar ik ervaar de tijden wel alsof de ankers nu echt los komen. Ik heb nog niet zo vaak meegemaakt dat ik soms bang ben om de nieuwsapps te openen, bang voor wat er nu weer is gebeurd in het Midden-Oosten. Bang voor de uitslag van weer een verkiezingsronde ergens in Europa. Als historicus weet ik wel dat de geschiedenis zich nooit herhaalt. Maar ik herken patronen en ik denk dan: hoe lang kunnen machtswellustelingen nog hun gang gaan? Hoe diep duiken we het donker in?

Ik heb geen idee. Maar ik zie nog nauwelijks licht aan het eind van de tunnel. Ik moet denken aan wat de tegenwoordig weer veel geciteerde Italiaanse filosoof Antonio Gramsci schrijft. Hij belandt in de cel onder het regime van Mussolini en zet dan zijn ideeën op papier, wat later is uitgegeven als Notities uit de gevangenis. In 1930 noteert hij: “De crisis bestaat uit het feit dat het oude sterft en het nieuwe niet kan ontstaan: in deze tussenfase doen zich de meest uiteenlopende morbide verschijnselen voor.”

Ik herken het beeld wat Gramsci oproept. We lijken voor een drempel te staan waar we maar niet overheen kunnen stappen. Er ligt een steen voor, lijkt het wel. Die begraaft de oude zekerheden, maar verhindert de komst van iets werkelijk nieuws en bestendigs. Iets beters.

Misschien is het al met al toch niet zo gek om vandaag met Pasen dat klaaglied te lezen. Het is voor mijn gevoel nog een beetje stille zaterdag. Ik heb nog geen idee van wat er komt, wat er gaat opstaan. En wanneer. Tegelijk wijst de tekst van Tillema wel een mooie weg. Iets van een beginnend, zoekend, twijfelend en bescheiden ‘en toch’. En ergens is dat Pasen ten voeten uit.

(c) Pixabay

Eerst lezen we Marcus 15, de verzen 40 t/m 47:

Van een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. Zij waren Jezus gevolgd en hadden Hem gediend toen Hij in Galilea verbleef. Zo stonden er nog veel meer vrouwen, die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem. Toen de avond al gevallen was (het was de ‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat), kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg. Het bevreemdde Pilatus dat Hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al gestorven was, en toen de centurio dat bevestigd had, gaf hij het lijk aan Josef. Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, keken toe in welk graf Hij werd gelegd.

Als tweede lezen we Marcus 16, de verzen 1 tot en met 8

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om Hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. Jullie zoeken Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, Hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar Hij was neergelegd. Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie heeft gezegd.”’ Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.

Lieve mensen,

Een van de redenen dat wij 10 jaar geleden vielen voor het appartement waar we nu wonen was het strookje grond voor het huis. Een tuin! Wel een wat smalle tuin. Als je binnen zit, kijk je er zo overheen. En dus lieten we voor het woonkamerraam een hoge bak aanleggen die we vol zetten met planten en bloemen. Niet alleen bespaart die bak ons een hoop gebuk, maar je kunt nu van binnenuit de bloemen ook goed zien.

En dat is fijn! Zeker nu. Ik denk wel eens: als ik dan ergens hoop uit wil putten, dan zou ik wat vaker in de tuin moeten kijken. Wat een kleurenpracht van al die narcissen, tulpen en blauwe druifjes. Tegelijk moet ik erbij zeggen dat we afgelopen najaar veel meer bollen hebben geplant dan er zijn opgekomen. En de bollen die we hadden komen ook niet altijd terug. Het is ieder jaar weer een beetje een verrassing.

Zo zijn afgelopen najaar de dahlia’s niet opgekomen. En die vind ik nou juist zo mooi. We hadden van die schitterende diep rode in huis gehaald. Maar ze hebben zich niet laten zien. Zo jammer! We hadden ze nog wel met grote verwachtingen geplant, zo van: dan hebben we ook in de herfst nog wat kleur in de tuin. Maar ja, wat doe je eraan? De bol moet het werk zelf doen. Of niet.

De teleurstelling is van een heel andere orde als je ergens keihard voor werkt en het komt dan niet uit de verf. Wat je wil krijg je niet voor elkaar, hoezeer je je best ook doet. Kijk, dat is ontzettend zuur. Je wilt zó graag dat iets lukt en het glijdt als los zand door je vingers.

(c) Open clipart

Ik moet denken aan mijn overleden schoonvader. Over een week is het precies twee jaar geleden dat hij een zwaar hartinfarct kreeg. Katheteriseren lukte niet en hij moest met gillende sirenes vanuit het ziekenhuis in Dordt naar Dijkzigt voor een open-hartoperatie.
En dat was het begin van een ongelofelijke achtbaan. Hij is meer dan 10 dagen in coma gehouden. En daarna was hij nog maar een schim van zichzelf. Tot zijn grote verdriet moest hij ineens met alles worden geholpen. Gelukkig kon hij niet zover bij Alblasserdam vandaan revalideren. Hij heeft daar werkelijk zijn stinkende best gedaan. Na een tijdje liep hij zelfs weer. Wankel, achter een rollator, maar: hij liep! Toch, zelf achter zijn rollator gaan staan, lukte niet. En dat moet wel, als je weer terug naar huis wil.

Lang verhaal kort: ondanks alle oefeningen bleef verdere vooruitgang uit. Er kon een streep door de droom om weer naar huis te gaan. Het werd definitief een verpleeghuis. Weliswaar pal naast waar hij zijn hele huwelijk had gewoond, maar toch. Hij was in zak en as. Voor hem hoefde het allemaal niet meer.

En toen heeft hij ons allemaal versteld doen staan door na een tijdje een soort knop om te zetten. Of het een bewust besluit is geweest of zijn oude vertrouwde koppigheid, maar hij vond uiteindelijk toch zijn draai. Hij ging meedoen met wat er zoal werd georganiseerd en hij kreeg tijdens het eten in de huiskamer zijn praatjes weer een beetje terug. Zat hij eerst tussen ‘die oude mensen’, na een tijdje waren het zijn kennissen. En uiteindelijk had hij het over zijn vrienden. Af en toe droomde hij hardop over misschien ooit toch weer autorijden, accordeon spelen. Maar het was kansloos. En ergens moet hij het hebben geweten. Echt aandringen deed hij niet meer.

Nog regelmatig denk ik aan wat mijn schoonvader zomaar ineens op zijn bordje kreeg. En aan de veerkracht die hij liet zien, ook nadat een terugkeer naar zijn oude leven of zelfs zijn huis er ondanks alles niet meer in zat. Ik kan er met bewondering op terug kijken. En ik denk wel eens: misschien is het een houding waar we vandaag de dag ook iets aan kunnen hebben in onze wereld die al evenzeer op een achtbaan lijkt. Een achtbaan waarvan de remmen los lijken.

Albert Baur, Die Frauen am Grabe Christi

Iets van die houding herken ik in ieder geval in wat er na de kruisiging gebeurt, in die tussenperiode tussen Goede Vrijdag en Paasmorgen. Het oude is gestorven en het nieuwe nog niet geboren, om met de filosoof Gramsci te spreken. Het is een tijd waarin alles op zijn kop staat en niemand echt weet hoe het verder moet. Alle patronen zijn doorbroken. De normale gang van zaken bestaat niet meer. En wat er volgens Marcus dan gebeurt, vind ik eigenlijk indrukwekkender dan het Paasverhaal zelf.

Vooropgesteld, we kennen het verhaal door en door. We horen het ieder jaar opnieuw. Maar stel je nu eens voor dat iemand het je voor het éérst vertelt. Dat je net over de kruisiging hebt gehoord en nog niks weet van het verhaal rond het lege graf. Wat nu? We lezen over vrouwen die Jezus tot op het laatst trouw zijn gebleven. Er is geen man meer te bekennen tijdens en kort na de kruisiging, maar zij zijn er nog. Ze hebben alles voor Jezus achtergelaten. En nu is hij er niet meer. Ze zijn in diepe rouw en hebben even geen idee hoe het verder moet. Hoe voorstelbaar…

Wall mosaic of entombment of Jesus at Church of the Holy Sepulchre

Dan voert Marcus ene Jozef van Arimatea op. Een wat raadselachtige figuur, die hier voor het eerst ter sprake komt. En toch blijkt hij al die tijd een soort volgeling te zijn geweest. Kennelijk eentje op de achtergrond dan. Marcus vertelt nog over hem dat hij een voornaam raadsheer is die het Koninkrijk Gods verwachtte. Nu deden meer joden dat. Hele volksstammen hoopten dat er eindelijk betere tijden zouden aanbreken. Eindelijk echte vrijheid! Misschien dat Jozef van Arimatea in Jezus wel iemand zag die dat voor elkaar zou kunnen krijgen. Maar nu was Jezus dood. En daarmee ook de heimelijke toekomstdroom van Jozef. Ook voor hem was de vraag: wat nu?

Dan doet hij iets ongehoords. Hij vraagt om het lichaam van Jezus.

Jezus is vlak voor sabbat gekruisigd en lichamen mogen niet tijdens sabbat aan het kruis blijven hangen. Tenminste, in de Thora staat een regel die je zo zou kunnen interpreteren en dus moest het lichaam daar weg. Nu was kruisiging als straf in wezen bedoeld om iemand volledig te vernietigen. Zijn hele persoon moest verdwijnen. En dus kreeg je als gekruisigde in principe géén begrafenis. Je werd verbrand. Er mocht niets meer van je overblijven. Iemand heeft eens becijferd dat er ten tijde van het Romeinse Rijk zeker 300-duizend mensen moeten zijn gekruisigd, mannen en vrouwen. Maar slechts van een handjevol is een skelet terug gevonden.

Maar Jozef van Arimatea weet te voorkomen dat Jezus wordt verbrand. Hij wendt zijn status en misschien ook wel zijn rijkdom aan om Pilatus zo ver te krijgen het lichaam van Jezus af te staan voor een begrafenis. Geheel tegen de regels van de Romeinen in dus. Waarom doet Jozef dat? We lezen er niks over.

Maar, denk ik, wat als hij in die onzekere tussenfase tussen het verdwijnen van het oude en het nog niet aanbreken van het nieuwe ‘gewoon’ doet wat moet gedaan? Hij weet niet beter dan dat zijn droom uiteen is gespat. Hij had de handdoek in de ring kunnen gooien. Maar hij besluit te doen wat in zijn ogen goed is om te doen: het koppig hoog houden van respect, eerbied, mededogen en het opkomen van de waarde van een mens. Hij houdt vast aan die diep menselijke waarden als waren het de pijlers in een stroom van een nieuw te bouwen brug.

Ik zie het als het verzet van de machteloze. Simpelweg doorgaan, tégen de absurditeit van het leven in dat golft en raast en je steeds weer voor verrassingen plaatst. Een bovenmenselijke prestatie kan dat soms zijn, dat stugge ‘doen wat je kunt’. Maar o zo nodig om waarden van gewone menselijkheid hoog te houden – waarden die zo snel vergeten worden in het niemandsland tussen de oude dat sterft en het uitblijven van de nieuwe tijd. Sommigen noemen die tussentijd de tijd van monsters. En dan is het zaak om zelf geen monster te worden.

De filosoof Antonio Gramsci heeft daar lang over na gedacht in de gevangenis in Turi, in het zuidoosten van Italië. Hij had in de jaren 20 al gezien dat in heel Europa de maatschappij op zijn grondvesten schudde. In Italië voorop. De oude orde verdween in hoog tempo. Maar iets beters diende zich niet aan. Wel monsters. Om te voorkomen dat die alles kapot zouden maken, moest de samenleving snel weerbaarder worden. Niet met wapens, maar, zei Gramsci, met scholing en een wenkend perspectief dat zou laten zien hoe het anders zou kunnen. En dat verhaal moest niet alleen verteld worden, maar ook geleefd, in het gewone leven van elke dag.

Gramsci ziet er het recept in om de door hem gedroomde Marxistische revolutie te laten slagen. Niet van hogerhand opgedrongen, niet met militair geweld, maar van onderop, door de geesten ervoor rijp te maken. Hoe precies, dat laat ik verder aan Gramsci – anders belanden we in de politieke theorie. Maar het idee dat een betere wereld pas kans maakt als-ie van onderop ontstaat, vind ik mooi. Zeker als je, zoals Gramsci doet, er niet vanuit gaat dat het zomaar vanzelf gaat, als een natuurwet. Hij nodigt mensen nadrukkelijk uit om er ook zelf mee aan de slag te gaan. Door het te laten zien.

En dat hoeft niet eens groots en meeslepend. Ik zie in het verhaal van Marcus hoe het juist op verrassend bescheiden schaal gebeurt. Juist in het leefbare, het menselijke. Het dagelijks vasthouden aan dat wat goed is: de liefde, het klaar staan voor de mensen om je heen. Het doen wat je kunt, met oog voor elkaar, ook al heb je geen idee waar het heen gaat met de wereld, of er nog iets terecht komt van je dromen en je idealen. Bescheiden, maar daarmee niet gering. Het kan een bovenmenselijke prestatie zijn.

(c) Dawn Hudson

Ik moet denken aan wat de Amerikaanse dichteres Mary Oliver schrijft in een van haar bundels. Zij zegt daar: “Empathie en vriendelijkheid zijn de bruggen die harten met elkaar verbinden. Wanneer je anderen met begrip en medeleven benadert, verhef je niet alleen hun geest, maar creëer je ook een rimpeleffect van positiviteit. Echte kracht ligt in de keuze om aardig te zijn, zelfs als dat niet de makkelijkste weg is, want in vriendelijkheid vinden we de kracht om de wereld te veranderen, één daad tegelijk.”

We hebben geen idee wanneer het Pasen wordt, wanneer het duister wijkt en de steen wegrolt. Wanneer een nieuwe wereld opstaat. De natuur belooft dat na de winter weer een lente komt. Het verhaal van Marcus belooft een Pasen na Goede Vrijdag. Maar na de lente en de zomer wordt het ook weer herfst. Na Pasen volgt weer Goede Vrijdag. De uitdaging is om ondanks die tredmolen, dwars tegen het cynisme in, ons hart te laten spreken – ook al vergt dat moed. Om gewoon aardig te zijn, zoals Mary Oliver schrijft. Gewoon omdat het de wereld zoveel mooier maakt. Omdat er dan, al is het even, íets gloort van een andere wereld. Daar stug aan vasthouden, dát onopgeefbaar vinden, vind ik een prachtige vorm van verzet. Als een soort opstandig leven van positiviteit te midden van al het negatieve, al het absurde.

Tóch bollen blijven planten ook al komen ze niet altijd op.

Zo mag het zijn.

Aries van Meeteren