“Lieve Ari, wees niet bang. De wereld is rond en dat istie al lang. De mensen zijn goed. De mensen zijn slecht. Maar ze gaan allen dezelfde weg. Hoe langer je leeft, hoe korter het duurt. Je komt uit het water en gaat door het vuur. Daarom lieve Ari, wees niet bang. De wereld draait rond en dat doettie nog lang”, schrijft Jules Deelder aan zijn dochter Ari. Er gaat iets geruststellends van uit. De wereld draait nog wel even door.
En toch, ligt het aan mij of lijkt het wel of de wereld steeds sneller draait?
De Amerikaanse theoloog en schrijfster Nadia Bolz-Weber trok ooit de vergelijking met het aloude computerspelletje Tetris. Blokjes van allerlei vormen vallen van boven naar beneden over het scherm. En terwijl ze vallen moet je ze draaien zodat ze in elkaar passen. Doe je dat goed, dan verdwijnt er een hele rij. Maar de blokjes vallen steeds sneller. Er is steeds minder tijd om ze allemaal te kantelen en een plekje te geven. Het scherm loopt vol. Game Over.
![]()
Toveren
Ik snap de associatie van Bolz-Weber. Het is niet meer bij te benen. Hoe krijgen we alles verwerkt wat op ons af komt? Dat kan behoorlijk moedeloos maken. Wat moeten we ermee? Kunnen we er eigenlijk wel iets mee? Herman van Veen zingt: “Als hij kon toveren, kwam alles voor elkaar. Als hij kon toveren, was niemand de sigaar. Als hij kon toveren, kon toveren, kon toveren, kon toveren, dan hielden alle mensen van elkaar.” Nu heb ik geen tover-ambities. Maar iets bijdragen, dat wil ik wel. Maar waar begin je?
Bolz-Weber stelt voor om eerst eens uit te zoomen. Zij doet dat met ‘antropologisch denken’, zoals ze het zelf noemt. Ze rekent voor dat we als moderne mens al zo’n 300.000 jaar bestaan. En daarvan hebben we 290.000 jaar geleefd als jager-verzamelaars. Ze schrijft: “299.855 jaar hadden we geen gloeilampen en 299.906 jaar geen Twinkies (sponzige cakejes gevuld met vanillecrème).” Ze wil maar zeggen dat onze lijven nog nauwelijks zijn aangepast aan de moderne tijd. Een baby van nu is biologisch identiek aan eentje die in de ijstijd ter wereld kwam.
(c) Mike Licht (Flickr)
Computers van begin jaren ‘80
Dat betekent volgens Bolz-Weber dat we voortdurend proberen om een spiksplinternieuw besturingssysteem te laten draaien op computers van, laten we zeggen, begin jaren ’80. Geen wonder dat ze steeds haperen. En dus moeten we niet vreemd opkijken dat we soms nauwelijks weten waar we het zoeken moeten. Dat we geen idee hebben hoe we moeten reageren op de veelheid van alles wat er gebeurt.
Wie op apps of social media het nieuws volgt krijgt alles praktisch onmiddellijk voorgeschoteld. Terwijl ons brein niet in staat is om te kunnen blijven reageren op elke indruk die om voorrang schreeuwt. En al helemaal niet op al het negatieve nieuws dat over ons wordt uitgegoten. We kunnen er wakker van liggen en denken dat de Apocalyps aanstaande is. Of we raken afgestompt, slaan voortaan het journaal over en we bladeren in de krant meteen door naar de puzzels.
Stoïcijnen
Filosofen denken al langer na over hoe we zouden kunnen omgaan met alle indrukken die ons overspoelen. Stoïcijnen roepen op om onderscheid te maken tussen dat waar we invloed op hebben en dat waar we niks aan kunnen doen. En ze raden dan aan om los te laten waar we niets aan kunnen veranderen. Dat kan helpen om wat rust te vinden. Net als uitzoomen, wat de beroemde keizer-filosoof Marcus Aurelius vaak doet. Hij probeert, net als Bolz-Weber, dingen in een zo ruim mogelijk perspectief te zien, noem het het gezichtspunt van de eeuwigheid.
Wat ik mooi vind aan die oude gedachten is dat uiteindelijk niet de ‘gemoedsrust’ het doel is, maar het goede handelen waartoe de rust ons in staat stelt. Als we ons niet langer druk maken om waar we toch niks aan kunnen doen, kunnen we ons beter concentreren op wat wél in ons vermogen ligt. Doe wat je hand vindt om te doen, zei Prediker al. En wat we dan doen, staat niet vast. Dat hangt af van de situatie, van wat er nodig is en wat we op dat moment kunnen bijdragen.
The School of Athens (detail)
Geen wijze
Zo denken is niet altijd eenvoudig. Ik kan niet zeggen dat het mij altijd maar lukt. Overprikkeling ligt op de loer. Maar ik probeer wel die rust te bewaren. En als het niet lukt denk ik maar dat we oude computers zijn met te zware software. Ik lees dat de stoïcijnen zelf ook toegeven dat ze het moeilijk vinden. “Ik ben geen wijze en dat zal ik ook nooit zijn”, schrijft Seneca aan een vriend. Ook merkt hij op dat er misschien wel niemand is die helemaal volgens de stoïcijnse principes weet te leven. Gelukkig maar. Niks menselijks is de stoïcijnen vreemd.
Ik denk dan maar dat het een kwestie is van vallen en opstaan. Zoals alles. Want dat is wat ons tot mensen maakt. Alle ellende oplossen in de wereld lukt nu eenmaal niet, hoe graag we dat misschien ook zouden willen. Zoals Herman van Veen ook zingt in hetzelfde liedje over toveren: “Dat brengt-ie allemaal niet op. Ik denk dat hij voor ’t begin al stopt.” We hebben geen toverstaf. Maar het beetje dat we kunnen doen zou zo maar ergens goed voor kunnen zijn. En misschien lukt het maar een enkele keer, lees ik bij Seneca ter geruststelling. Wees genadig voor je oude hardware.
Aries van Meeteren